|
Written by Tim
|
|
Friday, 07 May 2010 15:01 |
|
Drie maanden prijkte de Zambiaanse vlag bovenaan op onze website. Een vlag waar het Zambiaanse volk trots op mag zijn. Een vlag die hoog in het vaandel gedragen wordt.
Het groen van de Zambiaanse velden die elke dag met man en macht bewerkt worden. Maïs, rijst, pindanoten, tomaten, ajuinen, zoete aardappelen, kolen, pompoenbladeren, bananen en de wereldvreemde impwa en okra. Eén voor één met de hand uit de groene Zambiaanse velden geplukt. Het beste wat moeder natuur hen te bieden heeft. Elke dag opnieuw.
Het rode bloed dat gevloeid is om onafhankelijk te worden. Op eigen benen staan en voortgaan. Toen we voor het eerst de Zambiaanse weg op gingen, reden we door een grote witte boog. “45th independence anniversary of Zambia” stond er in zwarte letters opgedrukt. Het is een Afrikaans democratisch land en daar pakken ze dan ook graag mee uit. Verder bloedvergieten is er nooit geweest. Het is een vredig land. Geen burgeroorlogen, geen robbertjes op de grenzen uitvechten. Congo viel hen aan, ze vochten niet terug. Een goeie babbel en wat eten bracht vrede.
Het zwarte Afrikaanse volk. Vaak uitgebuit omwille van hun huidskleur. Ze zijn Afrikaan en zullen dit blijven, maar ze zijn er trots op. Ze zijn Afrikaan en deel van een stam. Hun stam is hun thuis. Het begrip ‘Afrikaanse stam’ wordt al gniffelend in de mond genomen en geassocieerd met primitievelingen, maar stammen zijn niet zoals ook ik me ze had voorgesteld. Het is één grote familie. Zoals elke familie ter wereld hebben ze hun tradities. Wij kennen ze niet allemaal, maar vreemd is daarom niet altijd slecht. En voor alle zwartdenkers; ‘t zijn lieve mensen, die zwarten!
Een goudgeel zwaargewicht weegt door op de economie van Zambia. De goudkoorts piekt hier na de kolonisatie nog steeds. ‘Na’ is relatief, want kolonisatie is er nog steeds, maar dan in een subtieler geschenkpapiertje gegoten. Ze worden ervoor betaald, maar hoeveel en wanneer? Goud, uranium, koper en zink. De draaischijf van hun economie.
De adelaar mocht niet ontbreken. De adelaar stijgt uit boven alle problemen. Hij is te bespeuren rond de Zambezi rivier. Slaat zijn vleugels open en zoekt hogere atmosferen op. Hij bewaart het overzicht en verplaatst zich over de Zambiaanse velden. De Zambezi is zijn thuis. De Zambezi is Zambia.
Zambia is na die drie maand ook een beetje onze thuis geworden. Een ander thuis. Een thuis waar alles een beetje anders loopt, maar daarom niet altijd minder. Een thuis waar de deur altijd openstond. Een thuis gevuld met warme mensen. Een thuis met prachtige natuur. Een thuis om nooit te vergeten.
De drie maanden kenden hoogtes en laagtes. Dagen gingen voorbij. Soms wat traag, soms te snel. Duizenden foto’s, honderden verhalen en mensen passeerden de revue. Hier zitten we dan. Rijper dan voorheen. Wachtende op wat de toekomst brengen zal. Het was een mooie tijd. Een tijd om nooit meer te vergeten. Een tijd waarvoor we vele mensen dankbaar zijn.
Onze families, voor alle steun en support
Onze vrienden, voor alle vriendschap
Onze trouwe lezers, om vol enthousiasme en volhouding te lezen en te appreciëren
De KHBO, om ons de kans te geven op buitenlandse stage te gaan
De VVOB medewerkers, om in ons te geloven en ons door alles heen te gidsen
Mansa College of Education, voor de chocomelk, het brood en gastvrijheid
Mr. Musakula, voor de Simba experience en mentoring
Agnes, Mr. Sondach, Dikson, Sylvia en Nancy, voor het samenleven in ‘The Mansa guesthouse’
Solwezi College of Education, voor de lange wandelgangen en gastvrijheid
Mr. Mukokwe, voor de Solwezi experience en mentoring
Mss Kongwa, Jonathan en Joshua, voor het samenleven in ‘The Solwezi guesthouse’
Maki, voor de Japanse vriendschap en prachtige tijd samen
Mother Elisabeth, om ons het warme ‘andere’ Zambia te doen beleven in een township
De bus- en taxichauffeurs, om ons veilig op onze bestemmingen te brengen
Zambia, voor onze onvergetelijke Zambia-ervaring
Iedereen, die we via deze weg nog vergaten te bedanken
|
|
Last Updated on Friday, 14 May 2010 09:33 |
|
|
Written by Nickhail
|
|
Thursday, 06 May 2010 09:32 |
|
Zeventien februari tweeduizend en tien, acht uur ’s avonds op de luchthaven van Zaventem, hartje winter. Stap vooruit terwijl mijn hoofd nog achterom keek. Twee meter was nog dichtbij, tien meter voorbij de check in was al iets verder, twintig meter en ik was uit het zicht verdwenen. Geen haar op mijn hoofd die zich bedacht. Dit is wat ik al heel lang wou, dat is zeker.
Tim die naast me loopt, die straks naast me zit in het vliegtuig, waarmee ik de komende drie maanden moet samenleven. Ken ik hem wel goed genoeg? Ken ik mezelf? Waarom doe ik dit, wat drijft me? Deze laatste vraag stellen ze je keer op keer bij motivatiegesprekken en altijd lijkt het antwoord klaar en duidelijk.
…
Even terug in de tijd. Het regenwater, op temperatuur gebracht in een olieton boven smeulend vuur. Blootsvoets, als een dief in de nacht, sluipend met een emmer water naar mijn badkuip waar ik heel beheerst het water in goot. Het roestbruine water waarvan mijn handen even snel rimpelden alsof ik drie uur in bad zou gelegen hebben. De kakkerlakken en het halfgebakken brood. De vrouw die nooit haar ogen sloot, de vrouw die wou dat ze onze moeder kon zijn. Het kleinste kamertje in huis, dé plaats waar je me ter tijd en ter stond wel eens op de plee vond (darmprobleempje). De memorabele, onvergetelijke momenten zonder elektriciteit waren de grootste vrijheid.
…
Wat zal er gebeuren met de magere, trouwe hond die elke avond aan de voordeur stond en kwam kijken of we nog wat over hadden? Malishani zal blijven drinken en mensen dichter bij hun bestemming brengen. Mevrouw Kongwa, de huishoudster zal blijven kuisen met een glimlach. Jones Mukokwe (onze stagementor in Solwezi) zal blijven werken aan de toekomst van zijn gezin. Hij zal zijn vruchtbare akkers blijven verbouwen en uitkijken naar zijn pensioen. Mn. Zekko zal blijven verdikken omdat hij directeur is en omdat directeurs nu eenmaal iets zwaarlijvig moeten zijn. Tevens zal hij ook een project uit de grond stampen waarbij hij zoveel mogelijk mensen zal warm maken en sensibiliseren om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Agnes, mijn Zambiaanse moeder en huishoudster in Mansa zal goed zorgen voor haar klanten en de kakkerlakken regelmatig voeden in haar keuken. Maki zal meer Engels spreken en zelfvertrouwen kweken. De klote kraaien die ons elke ochtend wakker maakten tijdens hun gevecht zullen in het heetst van de strijd de wapens neerleggen en in een midlifecrisis terecht komen. Mn. Lombagnya, adjunct-directeur in Mansa zal blijven azen op de stoel van de directeur. Mr. Mwape die verantwoordelijk is voor het ICT lokaal, zal een database aanmaken met profielfoto’s van zijn favoriete studentes. Het gras van het voetbalveld zal altijd lang blijven en Mr. Musakula (onze stagementor in Mansa) zal zijn hilarisch snorretje nooit afscheren. Hij zal in de toekomst de kippenkweek opdrijven en eindelijk doen waar hij al zo lang van droomde: vakantie nemen na twaalf jaar en onmiddellijk een winterslaap beginnen. We noemden hem altijd ‘Baloe de beer’ uit jungleboek vanwege de opvallende gelijkenissen. Het internet in Mansa zal door blikseminslag opnieuw een jaar op non-actief staan. De vloer zal er altijd rood blijven door de wax. Mr. Sondach (de conciërge in Mansa) zal wat gas terugnemen en in plaats van veertig keer per dag, slechts twintig keer naar de koelkast lopen om bier. Het regenwater zal blijven stromen en de klanten zullen blijven komen.
Wat zal er gebeuren met mij? Dat is een vraag waar ik voordien en nu nog steeds geen antwoord op kan geven. En net die enige twijfel maakt meer dan wat dan ook, deel uit van mijn leven.
…
Hier zijn deed me de verschillen zien, maar vooral ook de gelijkenissen. Zambianen verschillen in feite niet zoveel van Belgen, tenzij misschien hun huidskleur.
Ik ben Vlaming, Bruggeling, Belg en ook een beetje Zambiaan. Onze gezondheidszorg en sociale zekerheid, onze zorg voor ouderen en minder validen, ons onderwijs, de rechten die je hebt als mens en burger in ons land, het openbaar vervoer, het opvangnet voor mensen die uit de boot vallen, ons politiek gezever en amateurisme, onze populieren en knotwilgen langs de akkers, en nog zo veel andere dingen maken mij een trotse Belg. Soms denk ik dat ‘mierenneuken’ een nationale sport is in België. Waar klagen we soms over? Zijn we vergeten wat belangrijk is in het leven? Ook ik maak die fout regelmatig. Af en toe eens stil staan doet een mens vooruit gaan.
…
Ik ga het hier verdomd hard missen en ik ben ervan overtuigd dat ik daar niet alleen in ben. |
|
Last Updated on Friday, 07 May 2010 09:52 |
|
Written by Tim
|
|
Wednesday, 05 May 2010 13:40 |
|
Om vijf uur deze morgen verliet Maki onze guesthouse. De dagen die we nog met haar zullen kunnen doorbrengen, korten zienderogen. Nog eenmaal in Lusaka. Dan over en out. Of toch nog een waterkansje? We lieten haar watertanden bij een Brugse fotopresentatie. Brugge, het Venetië van het noorden. Een grote camera heeft ze al, Japanners zijn er ook al, ze zal er dus zeker niet uit de boot vallen.
De lessen vorderen. Langzaam maar zeker maken we vorderingen. Een hoop prularia vult af en toe hun presentatie, maar wordt deskundig tenietgedaan door de ‘delete’ toets. Wat een geluk dat ze deze nog hadden uitgevonden bij het scheppen van het klavier. Een clipart afbeelding van een koe terwijl ze het in die slide hebben over religie. Vergeet Roger. ‘t is passé.
Over Roger en dergelijke hebben we hier al het één en ander opgevangen. Wat rommelt het daar in België. Europa in zak en as door een vulkaan, een alarmbelprocedure te behandelen door een imaginaire regering en een paar televisiegoeroes die het land gaan redden. Het gaat vooruit. Het gaat ontzettend goed vooruit.
Op het einde van de dag hadden velen al een prachtig resultaat kunnen neerpoten. Een resultaat dat mag gezien worden. Trots als een gieter demonstreerde één van de lectoren, tijdelijk omgedoopt tot studente, haar presentatie. Een gevoel van ‘ik wil dit ook kunnen’ inspireerden de laatste vijf minuten heel wat van haar collega’s. Keurig afwerkte PowerPoint rezen als paddenstoeltjes uit de grond. Een vruchtbare dag.
|
|
Last Updated on Wednesday, 19 May 2010 08:22 |
|
Written by Nickhail
|
|
Tuesday, 04 May 2010 10:38 |
|
Maki (die gisterenavond aangekomen is Solwezi) was vroeg uit de veren. Als ze wou kon ze gerust nog langer slapen, want voor haar is het vakantie. Toch stond ze gedisciplineerd op om zeven uur en vergezelde ze ons bij het ontbijt.
Terwijl ze haar tijd nam om te ontwaken stonden wij al les te geven. De lectoren zijn geïnteresseerd in wat we hen willen leren en dat zullen we geweten hebben. Elke beschikbare computer was bezet en het lokaal zat zo goed als vol. Ondertussen bracht Maki een bezoek aan het nationaal monument een eind verderop.
’s Avonds hadden we een afspraak met Chipoyia, de bakker van de shoprite die ondertussen een vriend van ons geworden is. We hadden hem uitgenodigd om te gaan poolen. Het was al bijna 19.30uur en we hadden nog steeds geen lift naar het café. Joshua (de wetenschapsdocent die nu naast ons is komen wonen) wou ons helpen maar kon geen taxichauffeur te pakken krijgen. We besloten dan maar om naar Mv. Mukokwe (zie artikel: ‘One man show’) te gaan.
Daar zat ze dan. Als een echte huisvrouw in haar favoriete zetel naar Congolese soaps te kijken. Haar typische pruik, haar verzorgde houding, haar gastvrijheid en vooral haar groot hart maakten haar de meest gegeerde gastvrouw. Het spreekt voor zich dat ze verrast was door ons onaangekondigd bezoek. We vielen met de deur in huis toen we haar vroegen of ze een goede taxichauffeur kende. En ja hoor, tien minuten later reed de felblauwe wagen ons tegemoet. De chauffeur, ‘Godwell’ was een voorbeeldige chauffeur. Rekening houdend met het feit dat er in Zambia geen flitspalen zijn en dat de politie niet talrijk aanwezig is op de weg, reed hij stukken minder dan de toegelaten snelheid. Door de boxen knalde hip hop, op het dashboard voor me lag een schapenvelletje en achteraan zaten Maki, Tim en een Zambiaanse vrouw.
Chipoyia deed zijn roots alle eer aan en nam zijn tijd. Anderhalf uur later dan het afgesproken uur kwam hij dan toch nog opdagen. Volgens mij hielden Chipoyia en Maki ons voor de gek. Het was een complot tegen ons. Ze beweerden dat ze geen ervaring hadden met poolen, maar leken toch iets meer professioneel dan ze ons probeerden wijs te maken. Hier is poolen pure ontspanning. Je betaalt hier niet in verhouding tot de tijd, maar per spel. Nog positiever is dat de tafels buiten staan onder partytenten. Er zijn drie tafels en het is hoogst merkwaardig dat altijd dezelfde tafel vrij is. Dat hebben we al doende zelf ondervonden. De tafel staat niet waterpas en de ballen blijven iets te lang om goed te zijn dezelfde richting uitrollen.
Maki toonde dat ze ballen had, Chipoyia speelde alle ballen uit en Tim schoot ze af en toe eens over tafel. Waarschijnlijk als tegenreactie op de ‘luchtballen’ van onze tegenspelers die heel subtiel een poging deden om een muzungu om te brengen. |
|
Last Updated on Thursday, 06 May 2010 11:05 |
|
Written by Tim
|
|
Monday, 03 May 2010 13:37 |
|
Is er iemand? Nada. Noppes. Njet. Ze stuurden hun kat. Hebben ze hier niet. Zwerfhond dan maar. Wachten we nog even? Vijftien minuten. Uiterste maximum. Hoeveel mensen minimum? Vijf.
Acht uur stipt. Zwerfhond. Acht uur veertien. Zwerfhond. Acht uur veertien minuten negenenvijftig seconden. Misses Mutatuli.
“Sorry mevrouw Mutatuli. We wachten voorlopig op een hoger opkomst. Minimum vijf. We zijn nog niet zeker of we al dan niet zullen beginnen.”
Acht uur dertig. Zwerfhond Zestien minuten later. Docent één tot en met zestien.
Zo zie je maar, onze zesenveertig minuten zijn volledig afgestemd op de Afrikaanse tijd. Allan, lid van het ICT committee, had alle lectoren lichtjes gedwongen om naar onze lessen te komen. Het is voor hen vakantie. Lange gezichten en mindere lange gezichten stroomden daarom toe in de gerenoveerde ‘Room 11’. ‘Room 11’ klinkt als een nieuwe horrorfilmtitel, wat het misschien ook voor hen zou kunnen worden, maar slaat vooral op ‘The resource room’. ‘The resource room’ is een ‘room’ waar je dus ‘re-source’ kan verrichten. In bronnen op zoek gaan naar informatie, ware het niet dat er helemaal geen bronnen zijn. De sterkste literaire bron staat gekrast in één van de weinige stoelen die het lokaal rijk is. “I love Josephine”. Een sterk staaltje liefdespoëzie.
Een wit geverfde muur, projector, laptop en twee rijen stoelen doopten het lokaal officieel om tot mediaroom. Verschillende stellingen werden op de projectie geponeerd en een ‘agree-‘ en ‘disagree-zijde’ bepaalden de strijd. Er werd hevig gediscussieerd en dat deed ons deugd. Soms piekte het decibelgehalte en had het geheel meer weg van een kippenren, maar er werd gediscussieerd. Ze speelden het spelletje mee. Dat was wat we wilden. Uiteindelijk werd een oorlog nog net afgewend en toonden we hen een reeks wereldvreemde, maar ook esthetisch verantwoorde voorbeelddia’s. Het werd al snel duidelijk: Over kleuren kun je discussiëren als je kleurenblind bent, over smaken kun je discussiëren als je smakeloos bent en over komma’s kun je kommaneuken. Niemand was kleurenblind, niemand was smakeloos en niemand viel over komma’s. “Er zit toekomstmuziek in!”, zou een meester-componist als Beethoven concluderen. “Didactisch hier en daar nog wat de doelstellingen en eindtermen bijschaven, maar het zit behoorlijk goed.”, concludeerden wij als meester Nickhail en Tim.
Shoprite. Kaas. Veel kaas. Eindelijk! Na drie weken brood, boter en confituur. Al zijn het plakjes oranje voorverpakte kaas dat je hooguit eens uit noodzaak meeneemt op bergtocht, het is kaas. Kaas is hier kaas. Niet vitten over de vele soorten smeuïge Franse kazen die we in België hebben. De smaak van kaas overtreft op dat moment alle kaassmaken ter wereld. “Weg met die Frans riekende opeengestapelde schimmels!”, denk je dan. “Leve Parmalat Sweetmilk Cheese!”. “Parmalat een Italiaans bedrijf van Berlusconi?”, “Ah, meneer, het is maar kaas hé! We wachten op initiatief van Sarkozy en onze Albert!”.
Dingdong. Nee, onmogelijk geluid, want deurbellen hebben ze hier niet. Maki kwam op bezoek. Uitgehongerd werkte ze als een echte vent twee serieuze borden spaghetti naar binnen. Ook Nickhail had zijn eetlust weer helemaal teruggevonden. Ik moest het onderspit delven. We genoten van de verse spaghetti. De Italiaanse moeder uit het reclamespotje van Miracoli zou het nu uitschreeuwen van jaloezie. Zelfs de Italiaanse Maria van het ‘Maria’s Paradise’ restaurant in Mansa zou zich afvragen hoe we zo’n gezonde spaghetti in Zambia konden klaarmaken. En dat zonder iemand de volgende dag op te zadelen met darmproblemen. “impossibile per i ragazzi che!”, zie ik haar al zeggen met een Italiaanse schwung.
Genoeg Italiaans voor vandaag. Tijd voor wat Amerikaans en Japans. Tijd voor ontspanning. Tijd voor pure nostalgie. Kill Bill 1. “Yacchimaina!” |
|
Last Updated on Tuesday, 11 May 2010 21:45 |
|
Written by Nickhail
|
|
Sunday, 02 May 2010 16:59 |
|
We hoorden in de verte een auto claxonneren. De wagen stond langs de aardeweg geparkeerd. Mevrouw Mukokwe zat achter het stuur en wachtte geduldig op ons. Twee minuten geleden probeerde ze nog de auto aan de praat te krijgen met een moersleutel.
Haar schoonmoeder en jongste zoon zaten achterin bij Tim op de bank. Naast mij lag een klein stapeltje boeken. Een aantal exemplaren van de bijbel en daarboven, als kers op de taart, een paarse minihandtas. Ze had een kleed aan gemaakt uit tsjitenge materiaal, paarsgekleurde lippenstift (à sortie met de handtas) en een pruik om het geheel af te werken. Via een dirtroad en duizend en een putten kwamen we aan op onze bestemming. ‘De Pent Costal church of Zambia’. De stilte die in de wagen hing werd doorbroken bij het openen van de autodeur. Luide muziek galmde over de parking. Geen goedkope plaat, maar wel een live optreden van het koor. Een smal gangetje was de enige hindernis die we nog moesten nemen om binnen te geraken. Als bloedcellen die door een vernauwde ader moeten. De kerk was ruim en stond vol rijen houten banken. Het moest een geruststelling geweest zijn voor Mv. Mukokwe dat er nog niet al teveel volk was komen opdagen (ze was al aan het stressen in de wagen dat ze te laat zou komen). Wat ik hoopte dat ze niet zou doen, deed ze toch. Van alle plaatsen in de kerk koos ze de tweede rij vooraan die nog leeg was. Al die blikken in onze rug. Iedereen zou ons gezien hebben. Die twee muzungu’s!
Op het podium stonden mannen en vrouwen te zingen. Rechts van hen speelde een bandje. De priester wordt altijd vergezeld door een vertaler. Die persoon vertaalt het Engels naar Kaonde. Het was kwart voor negen toen we vooraan in de kerk stonden. Iedereen stond recht, zong en danste een uur lang. Af en toe een preek tussen de nummers door. Tussen negen en tien uur was een blanke man de kerk binnen gekomen via een ingang aan de zijkant. Hij nam plaats naast de priester. Hij kwam me bekend voor. De man heette Tom Gryner en kwam uit het westen van de Verenigde Staten.
Enige tijd later kwam de aap uit de mouw. Hij stond op, liep naar het podium, omhelsde de priester en nam de microfoon over. Als je ooit al eens op televisie zo’n typisch Amerikaanse massabijeenkomst hebt gezien, waarbij mensen met hun ogen dicht en hun armen naar het podium gericht luidop staan de bidden, dan heb je een vrij goed beeld van wat wij hebben meegemaakt. De diepzinnigheid en de blijde boodschap van een uur geleden smaakte nu bitter.
De man is ongetwijfeld een overtuigend spreker en was uitermate charismatisch. Toch was de inhoud van zijn preek moeilijk aanvaardbaar voor ons. Eerst en vooral sprak hij meerdere malen over zijn behaalde onderscheidingen (in een kerk waar tachtig procent zelfs geen diploma heeft omdat ze de studies niet kunnen permitteren). Ten tweede vertelde hij over zijn ontmoetingen met God. Hij vertelde over dergelijke massabijeenkomsten waar duizenden mensen bidden (in Washington zei hij). Daar had hij een poort naar de hemel ontdekt. Als we hem moeten geloven, dan was God vandaag niet kwaad, maar goedgezind. ‘God, heerser van goed en kwaad, de straffer van de zondenaars.’
Dat er cultuurverschillen zijn is een logische zaak. Elk van ons heeft zijn eigen opvattingen over wat goed en slecht is. Ieder van ons heeft een ander beeld over God. De een gelooft en de andere niet. Daar hebben we alle respect voor, desondanks we het niet met alles eens zijn.
Mevrouw Mukokwe stond tot nu toe steeds naast mij te dansen en te bidden, tot op een bepaald moment dat ze naar voor ging en voor het altaar neerhurkte. Ze knielde en bad met haar ogen dicht, De priester legde zijn handen op haar hoofd en even leek het erop alsof ze haar wilden bevrijden van iets. Ze zou haar misschien laten vallen. Gelukkig bleek dit niet het geval te zijn. Als ze naast me stond en bad, dan stond ze daar met haar handen in de lucht. Haar handen trilden en wilden iets vangen wat ik niet direct zag. Ze sprak een taal die ik niet begreep.
Op terugweg in de auto vertelde ze ons dat ze kan spreken met God in een taal die ze zelf niet begrijpt. Eerst moet je alle zonden bekennen, dan ben je terug zuiver en moet je God vragen om zijn taal te mogen/kunnen spreken.
Deze week is het al vier of vijf dagen ‘crusade’. Op de grasvelden bij het politiebureau staat een rode container die dienst doet als podium. Op de achterkant staat in witte koeien van letters het opschrift: ‘Jesus is the lord’. Elke avond is er een bijeenkomst voor alle gelovigen. Vanaf 16.00 uur beginnen ze met bidden en luisteren ze naar preken van de Amerikaan (Tom) en andere priesters. Meestal bidden ze voor zieken of mensen die hulp nodig hebben. Maar ze bidden ook om demonen uit te drijven. Dat duurt wel enige tijd. Om hardnekkige demonen te verdrijven kunnen ze zelfs tot middernacht blijven bidden.
Volgens mijn bescheiden mening zijn hemel en hel te vinden hier op aarde bij ons. Geen duale realiteit, wel een God die je overal kan tegenkomen, in alle mensen. |
|
Written by Tim
|
|
Saturday, 01 May 2010 13:35 |
|
De eerste mei. De eerste dag van de maand. De dag van de arbeid. Een vrije dag nog wel waar er theoretisch gesproken niet op gewerkt wordt. Niet weer iets typisch Belgisch, afstammend van onze voorvaderen die als arbeiders vochten voor meer rechten. Een wereldwijd fenomeen. Op de politiegronden maakte een menigte zich paraat om met grote spandoeken de straat op te gaan. Marsen, daar kennen ze hier wel iets van! Muziek, dans en veel chitenge’s.
Mister Jones, al zo vaak bezongen, pikte ons op Afrikaans afgesproken uur op aan de guesthouse. Hij is een beetje een omgekeerde Afrikaan. Komt meestal te vroeg. Elf uur afgesproken, tien uur vertrek. Misschien een opstandige Afrikaan. Een Afrikaan die zich als puber verzet tegen één van de zoveel ongeschreven Afrikaanse wetten. Hoewel ze puberen niet echt kennen. Je bent of kind, of volwassen. Geen tussenstop. Wel een tussenstop bij het tankstation. De auto was een vijfdeurs. Voor de niet autofanaten: een koffer telt mee als vijfde deur. Verder geen vragen over stellen. Alleen, de auto kon maar aan één zijde geopend worden. De zijde waar twintigduizend Kwacha de tanker moest bereiken. Een tanker, slechte woordenschat. “Foei, lees uw Gids voor correcte schooltaal eens na”, hoor ik het al in de verte weergalmen. Je weet wel, iemand die je tank vult, waardoor jij lui in je zetel kunt blijven zitten. Via een kleine omweg raakte het verfomfaaide briefje dan toch terecht en reden we met een drietal liter het tankstation uit. De benzinemeter stond dus maar een paar millimeter hoger. Altijd gaat het hier zo. Nog nooit hebben we een auto met een volledig gevulde tank gezien, laat staan een volledige auto.
De auto loodste ons door het lange gras naar een waterput ergens in een dorpje. Een dorpje in de bush waar één van zijn vele aangetrouwde neven woonde. Op zich is er niets bijzonders aan een waterput en een neef, maar we vroegen ons af hoe ze in zo’n afgelegen plek aan voldoende water kwamen. Een put met twee meter diameter en een zestal meter diep. Met de hand uitgegraven. Maanden werk. Een huzarenstukje in zo’n droge harde grond. De neef was eerder een excuus om toch maar het dorp even binnen te rijden. Een auto is hier niet alledaags. Mr. Jones klaagde over de slechte hygiëne in de dorpen, want de toiletputten stonden weeral eens te dicht bij de waterput. Mensen houden hier geen rekening mee en drinken bijgevolg hun eigen uitgescheden lichaamsvochten op. Leraren maken er hen attent op met een efficiënt truckje. Petroleum in de toiletput gieten en hen even later laten drinken uit de waterput. Pas dan ruimt ongeloof plaats voor wansmaak. Het toilet staat dan al snel een paar meter verder, maar voor hoe lang?
De zoektocht naar onze picknickplaats verliep niet zo vlot als gepland. Voor zover hier iets gepland loopt. Auto stoppen, vragen aan een toevallige passant met fiets. “Ik ben niet van hier.” Je rijdt met een fiets met kolen op het bagagerek, maar bent niet van hier. Hoe ver rijdt een mens dan per fiets om niet ‘van hier’ te zijn? Een Zambiaans antwoord om duidelijk te maken dat hij het niet wist. Een zachtere, beleefdere vorm. Niets mis mee. Geen bijbedoelingen. Aardeweggetje passeren, stoppen, achteruitrijden, navragen, inslaan, aankomen.
De witte auto lieten we achter op een parking zonder auto’s. Wat misschien het toeristische epicentrum van Solwezi zou moeten worden, had duidelijk iets tekort: wegwijzers. Waarschijnlijk was dat de hoofdreden van een lege parking. Iets lager lag een huis. Een man kwam ons tegemoet lopen. "10 000 Kwacha per persoon", sprak hij ons aan. Een mooi stukje natuur en je moet ervoor betalen. We vroegen dan maar een groepstarief aan. Nickhail, Mr. Jones en ik. Wat een groep. We slaagden in onze opzet, want we zijn toch uiteindelijk twee arme bloedjes van studenten. Altijd een goed excuus.
De zelfgepromoveerde gids leidde ons naar een bamboebrugje die de oevers van een rivier met een eilandje verbond. Niemand, niets. Alleen het geluid van het stromend water en ons gefluister. Een fragiele stilte die uitnodigt om gerespecteerd te worden. De rivier, enkele kleinere bomen en het groene gras kleurden het landschap. Rondom ons scheerden libellen en vlinders rakelings voorbij. Rode, zwarte, grijze, blauwe, gele. Het volledig kleurenarsenaal van het insectenrijk was present. Een onbetaalbaar stukje pracht en praal die moeder natuur ons had geschonken. Van de ene verrassing vielen we in de ander, want de gids stelde ons via een wirwar van houten brugjes het ene eilandje naar het andere voor. Na lang wikken en wegen (want wat is hier nu hét perfecte plaatsje om te picknicken?) besloten we aan de oever te eten. We hadden ons uiterste best gedaan om een uitgebreide picknick te houden. Gekookte eitjes, confituur, fruitsap, brood, koolslaatje. Een verwennerij voor de maag. We genoten met volle teugen van het middagzonnetje en de rust. Nickhail baadde een pootje en Jones zocht de rust op. De rust. Even weg van alles. Weg van alle zever in zakjes. Weg van alle communicatie. Weg van alle zorgen. Zorgen zijn hier voor morgen. Even genieten. Nu. Nu het nog kan. |
|
Last Updated on Wednesday, 19 May 2010 08:36 |
|
|